De
alledaagse blik van de sightseer is gepubliceerd als 'The everyday gaze of the
sightseer'
in 'Territorial Invasions of the Public and the Private' Piet Zwart Institute
ed. Anke Bangma, Rotterdam, 2003
De
alledaagse blik van de sightseer
(Een vakantie in Berlijn, Praag, Boedapest en Wenen)
De jeugdherberg in Berlijn heet Sunflower. M. en ik zitten in de ontmoetingsruimte.
De wanden van de ontmoetingsruimte zijn geel geverfd. We lezen folders en brochures
over Berlijn. Zo af en toe komen er groepjes jongeren binnendruppelen; die vragen
dan naar hun kamersleutel of waar ze ’s nachts uit moeten gaan, daarna
verdwijnen ze naar boven.
Naast ons zit een aantal mannen. Een van hen hoor ik zeggen: ‘Dresden
is the place to be. Dresden is like Berlin was five years ago.’ Op het
prikbord hangen twee treinschema’s: naar Amsterdam en naar Praag. Er ligt
een folder over een jeugdherberg in Rome. De folder eindigt met de woorden:
‘And if you are lost, please give us a call and we tell you where you
are.’
‘The nineteenth century (and by extension also the twentieth century)
city stopped by being a stage for social interaction and instead became a tableau
for and of silent onlookers.’ 1 In de stad hoefde de stadswandelaar niet
meer alleen met zichzelf te zijn, en tegelijkertijd werd hij niet verplicht
in contact te treden met anderen. Walter Benjamin onderzocht deze rol door het
personage van de flaneur – de flaneur wiens waarneming van de stedelijke
omgeving gekenmerkt werd door een mengeling van distantie en vertrouwdheid,
van nabijheid en afstand. De vertrouwdheid met de gelijksoortigheid stelde de
flaneur in staat bijzonderheden op te merken: de flaneur zag in plaats van dat
hij keek. Met deze manier van beschouwen, deze verstrooide wijze van waarnemen,
luidde Benjamin volgens Rene Boomkens een filosofie van de moderne, stedelijke
ervaring in. 2
De flaneur is een bewoner van de stad; de sightseer is een bezoeker. De rol
van de flaneur ging over het feit dat zijn waarneming van de stad deel uitmaakte
van zijn dagelijks leven. Sightseers in een stad ruilen hun eigen dagelijks
leven in voor de rol van de toerist: een publieke act waarin de sightseer voortdurend
schippert tussen poseren en kijken. Het spel van de flaneur –zien en gezien
worden- is op een opzichtige wijze eigengemaakt door de toerist. Deze theatrale
urban public performance wordt gevoed door het idee van de sightseer om deel
te nemen aan het dagelijks leven in de stad die hij bezoekt. Of, zoals de socioloog
Dean Maccawell het verwoordt: ‘Touristic consciousness is motivated by
its desire for authentic experiences.’ 3
Dit verlangen impliceert dat een sightseer in staat is om geënsceneerde
en authentieke ervaringen van elkaar te scheiden. Maar in een tijd waarin representaties
van de stad de stedelijke beleving van de sightseer voor een belangrijk deel
bepaalt, en waarin het dagelijkse stedelijke leven tot een toeristische attractie
is verheven, lijkt dit een schier onmogelijke opgave.
M. en ik bezoeken de Potzdammer Platz en lopen daarna richting de Brandenburger
Tor. Voor de Brandenburger Tor staat een audio installatie waar men desgevraagd
radiofragmenten kan beluisteren; originele radiofragmenten die de eerste steen
van de Muur en de uiteindelijke val ervan becommentariëren, plus alle historische
gebeurtenissen daartussen. Uiteindelijk becommentarieert het alleen het schouwspel
wat men nu ziet: de Brandenburger Tor ingepakt in een groot decordoek. Op het
doek staan monumenten uit andere wereldsteden afgebeeld. Bovenop prijkt een
reclameslogan: ‘Die Welt ruckt näher.’ Op de voorgrond lopen
toeristen. Een jongen met een zonnebril en korte broek passeert en kijkt terloops
in de lens. Even verderop trekt een kind zijn filmende vader aan de mouw.
Elke sightseer die een metropool bezoekt heeft daar al representaties van gezien.
In zijn verlangen deel te nemen aan het dagelijks leven zal de sightseer zichzelf
vereenzelvigen met een attitude, een imago van een stad dat is uitgedragen in
een film, een boek of een historische gebeurtenis. Met name film heeft door
haar parallelle ontstaansgeschiedenis met de metropool een belangrijke rol in
de stedelijke beeldvorming gespeeld. Een film verbeeldt traditioneel de bezoeker
van de metropool op een narratieve wijze: de bezoeker verdwijnt in de massa
en komt er uiteindelijk als een ander personage weer uit; een personage met
een andere identiteit, een volleerde stadsbewoner.
De stad als toevluchtsoord, als tegenhanger van het platteland is een modernistisch
idee van de stad. Bart Keunen beweert in zijn onderzoek City Images in Postmodern
Urban Fiction and Collective Memory dat ‘the arrival in the city’
vandaag de dag zijn potentie in film en literatuur heeft verloren. ‘The
main reason for this decline is most likely the universalizing of the urban
condition as a result of a urban sprawl. Urban structures are to be found and
canonized city icons are copied or consumed in the most remote corners of the
Western world.’ 4
Tegenwoordig wordt het beeld van de stad, en de personages die haar bezoeken,
gecreëerd door media die juist geen narratief karakter kennen, maar die
een fragmentarisch, willekeurig beeld presenteren. In videoclips verschijnen
popsterren tegen een décor van steeds verschillende steden, en tijdens
computerspelen dwaalt de speler van het ene naar het andere level - de omgeving
verandert maar de rol van de personages blijft hetzelfde. De rol van de bezoeker
bestaat uit het onderweg zijn; en de reis bestaat uit verplaatsingen tussen
omgevingen die niet wezenlijk van elkaar verschillen.
Het is al nacht als we in Praag aankomen. Op goed geluk bellen we aan bij hotels
maar alle hotels zijn vol. M. heeft een kaart van Praag maar we lopen alleen
maar rondjes – steeds komen we uit op een plein waar jongeren als tijdens
een festival op de grond zitten. Er is alleen geen festival.
De dagen erna komen we ook steeds op het plein uit. Het is bevolkt met toeristen
en geduldige wegwijzers – mensen die een bord in de lucht houden waarop
staat: ‘Torture Museum 200 meters to the right’. Of: ‘Vivaldi
- The four seasons. This Sunday’. Een Arabisch ogende jongen houdt een
bord omhoog waarop staat: ‘Today : The best of world musicals’.
De jongen leunt op zijn linkerbeen, zijn rechterbeen staat er nonchalant voorlangs
gekruist. Naast hem schrijft een politieagent een bekeuring, het is niet duidelijk
voor wie die is bestemd. Op de achtergrond zitten vier toeristen naast elkaar
op de stoeprand.
De waarneming van de flaneur werd gekenmerkt door bijzonderheden op te merken
temidden van de gelijksoortigheid. Omtrent deze waarneming beschrijft De Certeau
een wezenlijk verschil tussen de perceptie van de flaneur en de sightseer: ‘The
voyeur’s city can never be anything but a fiction, both because of its
unwillingness to recognize particularities and because of its inability to see
those who live “below the tresholds at which visibility begins”‘
5, aldus Michel de Certeau.
De Certeau noemt de sightseer een voyeur, waarmee hij de dubbelzinnigheid aangeeft
die hoort bij de act van kijken. Kijken naar scenes in de stad is onlosmakelijk
verbonden aan het negeren van voorvallen en particularities. Enerzijds als een
discretie –men respecteert andermans anonimiteit- en anderzijds omdat
er domweg te veel indrukken zijn om allemaal waar te nemen. Hieruit is de blasé
houding geboren; een gedragscode die verworden is tot een natuurlijke pose van
de stadsbewoner. De onbekwaamheid in het aannemen van deze houding maakt de
sightseer voortdurend zichtbaar in het stadsbeeld. Het duurt een tijdje om een
terloopse vertrouwdheid met de fysieke omgeving te verkrijgen - om zonder op
te kijken de metro bij het goede station te verlaten.
Behalve dat de roltrappen in de metrostations in Boedapest oneindig lang zijn,
hebben ze ook een snelheid waardoor het lijkt alsof ze op hol geslagen zijn.
M. en ik houden boven aan de roltrap verbaasd onze pas in maar veel tijd wordt
ons niet gegund – achter ons staan al passagiers klaar om ons de diepte
in te duwen. Op de roltrap kijken we vervolgens geruime tijd naar de voorbijgangers
die ons in de tegenovergestelde richting passeren.
Na een aantal dagen koop ik het boek ‘Budapest, A Critical Guide’
van András Török. De schrijver attendeert de lezer op boekhandels
die niemand vindt en waarschuwt haar welke restaurants in de Lonely Planet gids
staan vermeld. Onder het hoofdstukje ‘Staring at others and getting away
with it’ worden metrostations aangeraden waar de roltrappen zich het beste
lenen om tegemoetkomende voorbijgangers te bekijken. In metrostation Kossuth
Lajos Tér verschijnen voornamelijk lower middle class people, in station
Lehel Tér passeert de working class terwijl op de roltrappen van Blaha
Luzja Tér de perfecte mix van beiden te aanschouwen is.
Waar toeristische highlights bewust appelleren aan een herkenbaar beeld van
een stad, zijn er ook toeristische presentaties die tegen een soort van authentieke,
een sociaal realistische ervaring, aanschurken. Kritische reisgidsen verwijzen
naar onontdekte restaurants met narrige obers en verantwoorde stadsrondleidingen
voeren langs plekken die zelfs voor stadsbewoners niet toegankelijk zijn –
stadsrondleidingen waarin drugsverslaafden hun bestaan uit de doeken doen, of
waar immigrantenfamilies exotische versnaperingen serveren.
De kritische sightseer krijgt een beleving van de stad voorgeschoteld die de
stadsbewoner normaliter negeert. Dat is weliswaar een kenmerk van alle stedelijke
toeristische attracties, maar het verschil is dat deze zogeheten kritische presentatie
van de stad pretendeert het perspectief van een stadsbewoner te bieden. Zij
suggereert dat de sightseer de rol van stadsbewoner, van een ingewijde, speelt.
Maar deze vorm van presentatie reikt louter een perspectief aan op de stad waar
de blik van de stadsbewoner is langs gegleden - die hij vanuit zijn ooghoeken
heeft waargenomen. De waarneming van de stadsbewoner is getraind om aan de beelden
die in zijn blikveld verschijnen geen betekenis te ontlenen; hij tracht ze als
een aaneenschakeling van toevallige gebeurtenissen te zien.
De politiek correcte stad van de sightseer daarentegen is getransformeerd tot
een anekdotische vertelling; de sightseer wordt gewaar van een ontstaansgeschiedenis
van een familierestaurant en luistert naar de levensloop van allerhande stadspersonages.
Het zijn vertellingen die gepaard gaat met een verholen moraal. Namelijk dat
de sightseer wél betekenis ontleent aan het onzichtbare dagelijkse leven,
door er wél naar te kijken of te luisteren. Het stedelijk leven wordt
gepresenteerd als een verhaal waarin men participeert door haar te bekijken
en te beluisteren. Dit onzichtbare leven in de stad wordt door Dan MacCannel
aangeduid als de backside; een reconstructie net zo zorgvuldig geënsceneerd
voor het oog van de sightseer als de frontside. ‘The idea is that a false
back is more insidious and dangerous than a false front, or an inauthentic demystification
of social life is not merely a lie but a superlie, the kind that drips with
sincerity.’ 6
De laatste dag in Boedapest weten we niet meer wat we moeten doen. We slenteren
met onze rugzakken door de stad. De hitte heeft ons vermurwd. Uren voordat de
trein vertrekt zitten we al op het perron. Daar vertelt een backpacker hoe ze
in de nachttrein tussen Boekarest en Boedapest snel uitstapte om wat eten te
kopen, en hoe vervolgens de trein doorreed. Sindsdien is ze haar vriendin en
haar rugtas kwijt. Midden in de looproute voor de perrons zit een man zonder
benen op de grond. De man kijkt omhoog en vraagt voorbijgangers om geld. Een
politieman staat al geruime tijd naast hem en praat op hem in. De man zonder
benen besteedt geen enkele aandacht aan de agent.
Het belang van de sightseers blik is herkenning. De sightseer streeft naar het
tijdelijk samenvallen van de fysieke stedelijke omgeving en zijn blik waarmee
hij een representatie van de stad al eerder heeft beleefd. Nu die beelden van
de stad steeds meer bepaald worden door willekeurige representaties in videoclips
of computerspelen zal de sightseer de stad (nog meer) als een décor beleven,
en het gemis van spektakel en interactie sterker doen voelen: het is de toeristische
economie die deze karakteristieken in de stad aanbrengt, en daarin in de behoefte
van de sightseer voorziet.
De blik van de politiek correcte sightseer is, net zoals de stadsbewoner geïnteresseerd
in opvallendheden. Maar hij bekijkt de opvallendheden zonder de gelijksoortigheden
te herkennen. Of eigenlijk: de gelijksoortigheden worden als een opvallendheid
gepresenteerd, als een verhaal. De gelijksoortigheid –de zwerver die de
stadsbewoner elke ochtend tegenkomt, de ober in het restaurant die altijd chagrijnig
is- wordt door de kritische sightseer als een eenmaligheid beleeft, terwijl
gelijksoortigheden in de stad alles te maken hebben met herhaling, met gewenning.
Maar voor de politiek correcte sightseer heeft de stad juist te maken met de
onderbreking van herhaling, men is op bezoek – men is tijdelijk verlost
van zijn eigen dagelijkse omgeving. Bij thuiskomst wordt de sightseer weer herinnerd
aan zijn onvermogen om een dagelijkse omgeving vanuit het perspectief van een
bezoeker te ervaren.
Op het station in Wenen worden we aangesproken door een jongen die een kleine
rugzak draagt. Hij probeert ons enthousiast te maken voor een verblijf in een
jeugdherberg. We vinden alles goed. Met zijn drieën verlaten we de stationshal
en lopen richting de jeugdherberg.
Deze jongen heeft dit al heel vaak gedaan. Hij vertelt dat hij zelf uit Polen
komt en dat de jeugdherberg niet erg ver is. Plichtmatig vraagt hij waar wij
vandaan komen. Hij is enigszins verbaasd dat we Wenen bezoeken. Wanneer we stilstaan
voor een zebrapad verontschuldigt hij zich dat het stoplicht niet snel genoeg
op groen springt. Daarna vertelt hij ons hoe saai Wenen is. En dat we niet in
Wenen moeten zijn, maar in Krakau. Krakau is de plek om te zijn.
1-
Sven Lütticken, ‘The Invisible Work of Art’ in The Urban Condition:
Space, Community and Self in the Contemporary Metropolis ed. Gent Urban Studies
Team (Rotterdam, 010 Publishers, 1999) p.311
2- Rene Boomkens, Een drempelwereld, moderne ervaring en stedelijke openbaarheid
(Rotterdam, NAI Publishers, 1998) p.115
3- Dean MacCannell, The Tourist, A New Theory of the Leisure Class (New York,
Shocken Books, 1973) p.101
4- Bart Keunen, ‘The Decline of the City as Modernist Symbol: City Images
in Postmodern Urban Fiction and Collective Memory’ in The Urban Condition
GUST (ed.) (Rotterdam, 010 publishers, 1999)
5- Trui Vetters, ‘Night on Earth: Urban Practices and the Blindness of
Metatheory’ in The Urban Condition, ed. GUST (Rotterdam: 010 Publishers,
1999), p. 346. Vetters citeerde uit: Michel de Certeau, The Practices of Everyday
Life, trans. Steven Randall (Berkely and Los Angeles, University of California
Press, 1998) 92-93
6- Dean MacCannel, The Tourist p.102-103